Sep 10

ice bear

This “ice bear” (ice bear (’ijsbeer’) is the Dutch word for polar bear) was made by my ex-girlfriend C. as a package for a St. Niklaus present. It’s a Dutch tradition to give presents on that fellow’s birthday, instead of at Christmas. The packaging of the present, and the rhime that accompanies it, is often more important than the value of the present. I don’t even recall what the present was, but I still have the bear around. She made it without a pattern and it really has a nice, slightly depressed look.

But over the years it got a bit dirty so today we let it swim. In the washing machine, so the bear probably didn’t like it, but at least it is clean now. Here it sits in the sun to dry a bit, guarded by the dogs.

Sep 08

paintjob

So this is a picture of the more or less finished kitchen. The colours of the woodwork even match the lamp (an old industrial lamp I originally bought as a prop for a film), although I hadn’t seen that before. But since Alison picked the colours I’m sure she was aware of that.

Sep 05

[I'm too lazy to translate this. Try

for a computer translation.]

Helaas geloof ik niet in engelen, maar ik heb wel enorm veel geluk gehad.

We hadden een paar dagen gewandeld en gekampeerd in de Adirondacks, een heel erg groot nationaal park in het noorden van de staat New York. Onze terugkeer in de bewoonde, lawaaÔge wereld was iets later dan gepland en we moesten nog een heel erg lang eind rijden, terug naar Montréal. Over kleine, bochtige wegen, met veel tegenliggers. Maar A. keek op de kaart en vond een shortcut, letterlijk dwars door de middle-of-nowhere. Okay, die namen we dus, want dat scheelde een uur of zo. De weg werd steeds verlatener en na een kruising met een oude spoorlijn stond er plotseling een groot bord: “Pavement ends”. Dus die weg door de middle-of-nowhere was gewoon een zandweg. Een tamelijk goede en brede zandweg, maar toch. Ik had zelf op de kaart moeten kijken, want het was inderdaad een uiterst dun lijntje. Maar inmiddels hadden we al vijfentwintig kilometer in deze route “geÔnvesteerd”, en we hebben een vierwielaangedreven auto en het was maar 15 km zandweg en daarna beloofde de kaart ons weer een asfaltweg.

De kortste weg tussen twee punten is niet altijd de snelste. Zelfs Google maps stuurt je via de zuidelijke omweg.

Helaas hadden we geen Internet in de auto (zelfs mobiele telefoons doen het niet in die buurt kwamen we later achter) dus vervolgden we onverdroten onze weg. Een bochtige weg, maar wel goed onderhouden, met een harde onderlaag en wat los zand en grint daarbovenop. Na een 15-tal kilometer, in welke we slechts een tegenligger hadden en ook maar een zijweggetje, stond er zelfs een waarschuwingsbord dat waarschuwde voor een scherpe bocht. Na die bocht ging de weg tamelijk steil naar beneden en vervolgens plotseling naar links. En daar begon onze trouwe Subaru met ABS en vierwiel aandrijving te slippen. We reden niet zo heel erg hard, zo’n 50 km, maar ik kreeg de auto niet meer in het gareel. En na zo’n dertig meter, inmiddels met nog maar weinig vaart gingen we net met de voorwielen in de lage berm, en de zwaartekracht trok ons verder het bos in. De auto kwam vrijwel meteen tot stilstand, ongeveer een meter naast een hele dikke boom. De airbags waren niet afgegaan, de motor draaide nog en we keken elkaar aan en zeiden: “Mmm, dit is geen goede plek om een ongeluk te hebben.” en meteen daarna “En de camera batterij is op, dus we kunnen niet eens een foto maken.” Het is grappig hoe ironisch men kan zijn in zulke ogenblikken.

Ik zette de motor af, we openden de portieren en stapten uit om de schade te inspecteren. die viel reuze mee, we hadden niks geraakt en stonden keurig haaks naast de weg geparkeerd, met de achterbumper nog net op de weg. Maar met de voorkant van de auto wel 1 meter lager dan de weg en zonder hulp van een sterke auto of takelwagen zouden we hier nooit van z’n leven meer weg komen. Wat te doen? Vijftien kilometer teruglopen naar het laatste dorp, Big Moose, of juist verder, het onbekende tegemoet? Terwijl A. haar wandelschoenen aandeed hoorden we een auto aankomen. Een zware pickup zelfs. Er bestond een god. Helaas hadden de twee heren geen kabel aan boord en konden ze ons niet helpen. Maar er stopte nog een auto, die ons een lift aanbood naar Big Moose. Ik moest echter nog wat pakken, -trui, water, kaart- en toen ik weer uit de auto kroop was ie al weer weggereden. Nu ja, er bleek toch wel iets meer verkeer te zijn dan wij oorspronkelijk dachten dus we besloten niet te gaan lopen, maar af te wachten op de volgende voorbijganger. Bij onze auto hadden we in ieder geval een goed excuus om te liften, mede omdat Amerikanen niet zo gauw lifters meenemen tegenwoordig, en zeker niet in de middle-of-nowhere. Die auto kwam, een bejaard echtpaar in een grote SUV, en ze wilden ons best meenemen naar Big Moose.

Daar kwamen we een twintigtal minuten later aan, en bij de eerste (en enige) public phone van het gehucht, voor het lokale jagers restaurant belden we de AAA, de amerikaanse wegenwacht. Gelukkig waren we lid van de Canadese evenknie, en we werden snel doorgeschakeld naar de lokale servicepunt. Die zaten echter wel een eind weg dus de takelwagen kwam pas een uur later. Wij gebruikten de tijd om een lekkere vis te verorberen. Toen de takelwagen kwam en we samen weer naar de plek des onheils waren gereden, had hij echter niet veel moeite om onze auto uit de berm te trekken. Het leek alsof de Subaru geen schade had geleden. Ik maakte een kort testritje, keerde een mijl verder weer om en, na een fooi, stuurde we hem weg. En toen? Toen gingen we verder, nu wel iets voorzichtiger rijdend.

Maar in weerwil van de informatie op de kaart hield de zandweg maar niet op. En voor ons gevoel ging ie ook nog eens veels te zuidelijk. Maar eindelijk, na zo’n vijfendertig kilometer zandpad, veranderde de weg in asfalt, maar verder bleef het vrijwel even desolaat. Geen verkeer en ook geen huizen. Enfin, zo’n twee-en-half uur na onze herstart kwamen we eindelijk in de bewoonde wereld aan. En om kwart over vier in de morgen (na een hazeslaapje op een parkeerterrein) waren we eindelijk in Montréal, een avontuur rijker. Maar zonder foto’s.

Sep 04

harvest-party

It’s Labour day weekend (May 1 was considered a too communist date to hold this event) so it’s time to go to another instalment of the Harvest Party in Cherry Valley, New York. We combine it with a couple of hikes in the neighbouring Adirondacks.

We went on Friday after Alison’s work and it took an awful lot of time to cross the Canadian-US border. Not only were there a lot of cars that also went to the US, but I needed, for the first time, to be fingerprinted and they also took a picture of me. All foreigners entering the US, except Canadians and Mexicans, need to undergo these measures in order to protect the US from terrorists. In reality it only helps to catch illegal immigrants and petty thieves. I considered last fall to just boycott the US, but I’m afraid it won’t leave a lasting impression and I would have only punished myself. And with Alison having so much family members in the US it would also affect her. So I gave in and went for the humiliation of being treated as a sort of criminal. All in all crossing the border took more than two-and-a-halve hours, so we arrived quite late at our short hike to a pond with a camping spot. We pitched the tent and went immediately to sleep.

The following morning I skinny-dipped in the beautiful pond, but unfortunately the battery of my camera was flat so you have to use your imagination.

At the harvest party I met Alison’s aunt Cathy, who has the same camera as I have, and who was kind enough to lend me her battery to take the above picture. But for the rest of this trip we have to do without pictures…